16 januari 2007

Nederlands te moeilijk?
De afgelopen dagen laait de discussie weer op: Nederlandse scholieren leren hun eigen taal niet goed. Zelfs een vwo-diploma vormt geen garantie voor foutloze stukken tekst in het Nederlands, dus klagen ook hogescholen en universiteiten steen en been en bieden extra taallessen aan of nemen een taaltoets af bij eerstejaars studenten. Interessant zijn de artikelen waarin wordt beschreven hoe we dit probleem zouden kunnen oplossen. Een hoger salaris voor leraren schijnt niet zaligmakend te zijn. De discussie over hoe we het onderwijs kunnen verbeteren blijft de gemoederen bezig houden. Op onderwijsgebied is er de afgelopen 30 jaar veel veranderd maar ik vraag me af of het onderwijs zelf daardoor werkelijk is verbeterd.
Een praktijkvoorbeeld. Zelf zat ik eind jaren zestig op de ‘lagere school’. In de hoogste klassen bestond het taalprogramma hoofdzakelijk uit het leren verbuigen van werkwoorden, het ontleden van zinnen en het benoemen van woorden. Ik herinner me ons taalboek, toepasselijk 'Dieseloefeningen' geheten en met een heuse trein op het kaft, nog heel goed. Met een beetje geluk hoefden we als huiswerk 20 zinnen van een lesje alleen te ontleden. Als we pech hadden, moesten we van elke zin bovendien de woordbenoeming doen. De volgende dag werd dat nagekeken op school. Klassikaal. (Zoals we ook de tafels van vermenigvuldiging klassikaal opdreunden, maar dat is een ander verhaal). Minstens tweemaal per week kregen we zulk huiswerk mee. Reken maar dat we hebben leren ontleden! Aan het eind van de lagere school wisten wij hoe een zin in het Nederlands in elkaar stak. Op mijn middelbare school werd er vervolgens voor elke taalfout in proefwerken, of dat nu voor Nederlands, Geschiedenis of Aardrijkskunde was en ongeacht of het om een spelling- of ‘dt’-fout ging, gewoon een heel punt afgetrokken. Ik prijs mij gelukkig met zo’n degelijke vooropleiding en profiteer er nog dagelijks van.
Zoveel jaar later zit mijn zoon in de eindexamenklas vmbo TL, sector techniek. Een van de examenonderdelen is het maken van een sectorwerkstuk. Tijden veranderen, want als onderwerp heeft hij multimediavormgeving gekozen, een richting die in mijn schooltijd niet bestond. Op de basisschool heeft hij in groep 7 en 8 met veel pijn en moeite geleerd hoe hij de persoonsvorm in een zin kan ontdekken. De verbuiging van de werkwoorden is weliswaar uitgelegd, maar op een tamelijk ingewikkelde manier, dus gebruikte hij liever mijn ouderwetse manier en met succes. Na 3 jaar Nederlands op de middelbare school heeft hij van zinsontleding nog steeds niet veel kaas gegeten. Bovendien sluipen er steeds vaker fouten in zijn werkwoorden. Ik schrik, telkens weer, als ik lees: ‘wat verteld hij nu?’ of ‘het gebeurd wel vaker’. Dus staat ons memobord in de keuken regelmatig vol met rijtjes – Nederlandse - werkwoordsvormen en ezelsbruggetjes. Op mijn vraag waarom hij tegenwoordig dit soort fouten maakt, antwoordt hij doodleuk: “Nou ja, de lerares Nederlands rekent het niet als fout, dus ik let er niet meer op”.

Toch wil hij graag dat ik zijn sectorwerkstuk nakijk voordat hij het inlevert. Hij heeft namelijk wel in de smiezen dat hij waarschijnlijk een hoger cijfer krijgt voor een werkstuk zonder 'd/t'-fouten. En een goed cijfer als (extra) compensatie is nooit weg, ook bij de huidige jeugd niet. In dat opzicht is er ten opzichte van 1978, toen ik eindexamen deed, niets veranderd(t?). Nee, soms weet je echt niet wat je leest ...

Geen opmerkingen: