30 januari 2007

Rugcrawl voor schapen?
Gisterochtend zat ik rustig te vertalen en buiten in het weiland (zie foto) liepen de schapen rustig te grazen … dacht ik. Totdat mijn levensgezel plotseling opgewonden naar zolder gestoven kwam: “bel de boer, er ligt er een op haar rug!” In dit draadloze tijdperk lag onze huistelefoon, met daarin intussen standaard het nummer van de boer geprogrammeerd, namelijk op mijn bureau. Het weiland van de boer loopt ver achter zijn boerderij door, langs onze achtertuin, en op ‘ons’ stuk zal ik maar zeggen heeft hij dus niet direct zicht vanuit zijn keukenraam.
Een poosje geleden hebben we hem ook al gebeld, toen er op een vroege zondagochtend 3 joekels van honden en 1 keffertje door het weiland holden, op weg naar de schapen. De boerin wist een van de grote honden gelukkig nog net op tijd in zijn nekvel te grijpen; de rest was ‘m toen al door het hek gesmeerd. Ze was erg blij dat wij - toeval of niet - die zondag vroeg aan het ontbijt zaten en haar hadden gewaarschuwd, want er liepen drachtige schapen in de kudde. Het heeft haar trouwens nog aardig wat moeite gekost om uit te vinden van wie die honden waren. Toen ze dat eenmaal wist, vond ze dat de eigenaar van de honden ons maar een bos bloemen moest gaan brengen. Wij hadden er immers voor gezorgd dat zijn honden niet hoefden te worden afgemaakt wegens het doden van een schaap. Als ik het goed heb begrepen, kunnen schapen zelfs sterven van de stress wanneer ze door honden worden opgejaagd.
Terug naar gisterochtend: jammer genoeg had ik mijn fototoestel niet bij de hand, want het was een komisch gezicht, hoewel ook een beetje aandoenlijk. ’s Winters hebben de dames en heren schaap immers een extra dik wolletje en daardoor kunnen ze niet zo makkelijk terugrollen. Dit schaap lag midden op haar rug met haar pootjes te spartelen, alsof ze moest oefenen met rugzwemmen voor diploma A. Gelukkig kreeg ik de boerin – die we intussen ook aardig goed kennen – vrij snel aan de lijn en even later zagen we haar door het weiland aankomen. Ze gaf het schaap een zetje en liet het zelf opstaan. Even later huppelde het bruine beestje alweer richting de kudde. De boerin stak als dank een hand op naar ons zolderraam. Tuurlijk, graag gedaan.
Trouwens, op dat bloemetje van die hondeneigenaar wachten we hier nog steeds ….

29 januari 2007


Multifunctionele computerspellen toekomstmuziek?
Afgelopen weken is de discussie over de kennis van o.a. Nederlands en wiskunde bij studenten en middelbare scholieren in Nederland in alle hevigheid losgebarsten. Niet alleen in praatprogramma’s op radio en televisie, maar vooral in de krant wordt volop gereageerd. De ultieme oplossing is – uiteraard – niet direct voorhanden, maar studenten en middelbare scholieren voerden deze week wel een ludieke actie: ze eisten meer les en betere begeleiding op school. Ze ervaren het “nieuwe leren” in de praktijk blijkbaar niet als een overdracht van kennis. Ik denk dat ze daarin gelijk hebben. Toch is het wel vermakelijk dat ze daarmee eigenlijk terugverlangen naar “de goede oude tijd”, waarin we vooral veel leerden over de inhoud van een vak (oefening baart kunst, dus veel stampwerk) en er veel minder nadruk werd gelegd op de vorm (het leren presenteren bijvoorbeeld). Maar laten we wel wezen: in die tijd hadden we geen internet en Power Point bestond nog niet.
Vanuit mijn eigen werkervaring vraag ik me af hoe mijn toekomstige collega’s hun talenkennis moeten vergaren. Zij missen de solide basiskennis, zowel van het Nederlands als van de vreemde talen. Op de basisschool hebben ze weinig geoefend met Nederlandse grammatica en op de middelbare school komen de vreemde talen er de laatste jaren ook tamelijk bekaaid vanaf. De spreekwoordelijke uitzondering is misschien Engels. De meeste scholieren krijgen die taal in de praktijk vermoedelijk beter onder de knie dan andere vreemde talen, omdat Engelstalige speelfilms en televisieprogramma’s, in Nederland over het algemeen worden ondertiteld. In dat opzicht hebben ze absoluut een voorsprong op hun buitenlandse medescholieren in landen waar films en televisieprogramma’s meestal worden nagesynchroniseerd. Helaas worden er in Nederland maar weinig speelfilms of televisieprogramma's in het Frans of Duits vertoond, dus die vlieger gaat voor deze talen niet op.
Een andere bron van taalverwerving zijn computerspellen, die meestal in het Engels worden uitgegeven en gespeeld. Ondanks mijn aanvankelijk bezwaar tegen al dat gamen moet ik toegeven dat mijn zoon aardig wat opsteekt van de (Engelstalige) computerspellen die hij regelmatig speelt, al dan niet via het internet (en dus met “medespelers” over de hele wereld met wie hij in het Engels moet communiceren). Als er dan wordt beweerd dat de huidige jeugd vooral visueel is ingesteld, moeten we de oplossing voor beter taalonderwijs misschien juist daar zoeken. Het zou mooi zijn als er meer computerspellen werden ontworpen waarmee middelbare scholieren spelenderwijs bijvoorbeeld ook de grammatica in verschillende talen leren en oefenen. Om de aandacht van de “gamende” jeugd vast te houden, moeten het dan natuurlijk wel spannende spellen zijn!

23 januari 2007


Als storm en regenvlagen ….
In de vroege uurtjes van de zondagmorgen werd ik gewekt door de wind die om het huis loeide. Weermannen hadden de storm, minder zwaar dan vorige week donderdag maar bij vlagen toch nog windkracht 9, zaterdagavond al aangekondigd en voorspelden dat hij net na middernacht bij onze kust zou aankomen. Kennelijk had de storm op het Kanaal de boot gemist... Ook van de voorspelde regen- en onweersbuien heb ik die nacht weinig gemerkt. Qua windkracht leek het inderdaad iets minder dan donderdag, maar het gevoel bleef gelijk: telkens als ik dacht dat het niet harder kon waaien, deed de wind er toch nog een schepje bovenop. ‘s Morgens bij het opstaan had de storm nog steeds veel kracht, maar zie, de hemel kleurde blauw en bood plaats aan de zon! Vrolijk lijnde ik onze hond aan voor zijn gebruikelijke rondje. Op de heenweg hadden we wind in de rug, maar op de terugweg ging het recht tegen de wind in. Adembenemend, vandaar dat ik dit keer het pad tussen de weilanden achter ons huis maar heb gemeden.
Vanaf mijn werkplek op zolder kijk ik uit over die weilanden en zie elke weersverandering vanuit het zuidwesten aankomen. Fascinerende wolkenpartijen, inktzwarte (zware regenbuien) of loodgrijze luchten (sneeuwbuien, maar die heb ik deze winter nog niet gezien) – prachtige natuurverschijnselen die weliswaar soms afleiden van het werk, maar over het algemeen een bijzonder inspirerend effect hebben! Soms zijn ze zelfs beangstigend, zoals afgelopen donderdag toen windkracht 9 pal op de ruiten van de dakkapel stond: bij een windvlaag woei opeens het raam open (dat bleek niet goed dicht te zitten) en daardoor werd een deel van de spullen op mijn bureau de kamer ingeblazen. Mijn hart zat even in mijn keel! Schade heb ik er nauwelijks van: alleen het gordijn is een beetje stuk. Bij zulk weer zingt er een versje uit mijn poëziealbum zachtjes door mijn hoofd:

Als storm en regenvlagen
Langs som’bre luchten jagen,
Bedenk hoe donker het ook mag zijn,
Na regen komt weer zonneschijn!

Het leek dit jaar maar geen winter te willen worden, net alsof de herfst geen afscheid kon nemen. Gelukkig is het sinds vandaag een stuk kouder en ik geniet van het vorstige winterweer! Toch verwacht ik dat mijn noren dit jaar wel weer in de kast zullen blijven, want met dit kleine beetje vorst is er van natuurijs natuurlijk geen sprake. Over winterweer gesproken: zondagmorgen kreeg ik bericht uit de Franse Alpen, waar mijn levensgezel een weekje op wintersport verblijft: het regende in Châtel! Zaterdag bij aankomst meldde hij al dat de sneeuwcondities niet daverend waren, dus zitten ze daar vurig te duimen dat het snel en flink gaat sneeuwen. Bij gebrek aan natuurijs ben ik zondag maar voor de buis gekropen en heb de prestaties van ‘onze’ sprinters bij het WK sprint in Hamar gevolgd. Dat is namelijk bijna net zo leuk als zelf schaatsen!

19 januari 2007

Olifantenoverlast
Aangenaam verrast was ik toen ik in HP/De Tijd van deze week een artikel zag over het Krugerpark in Zuid-Afrika. Daarin werd het probleem van het olifantenoverschot in Zuidelijk Afrika beschreven. Over dit probleem hadden we tijdens onze vakantie in het Krugerpark al meer gehoord. In gedachten reisde ik meteen terug naar Moholoholo, het opvangcentrum voor gewonde roofvogels in de buurt van Hoedspruit, waar we in oktober ook op bezoek waren.
De ranger die ons rondleidde vertelde ons toen al dat er in het Kurgerpark te veel mannetjesolifanten worden geboren en hoe schadelijk zo'n overschot is voor het natuurlijk evenwicht in het Krugerpark. Bestaande kuddes kunnen niet uit de voeten met al dat manvolk, dus gaan jonge bullen in hun uppie aan het zwerven. Op onze tochten door het park zijn we inderdaad heel wat 'loslopende' olifanten tegengekomen. Bij die gelegenheid konden we met eigen ogen zien hoe de natuur lijdt onder het geweld van deze grijze reuzen. De ranger legde overigens uit dat moeder Natuur het bij olifanten bijzonder fraai heeft geregeld: hoe later in hun vruchtbare periode koeien worden gedekt, des te groter is de kans dat er een koekalf wordt geboren. Vanwege het grote aantal olifantenbullen gebeurt tegenwoordig helaas meestal het omgekeerde: de heren hebben veel concurrentie, dus wordt er (te) snel gedekt. Zo komen er steeds meer mannetjes bij en daarmee is de vicieuze cirkel rond. Voor veel kleine grazers – zelf onderdeel van de voedselketen – blijft er steeds minder voedsel over. Dat betekent in het ergste geval dus een tekort aan prooidieren met als gevolg dat ook de grote jagers (leeuwen, luipaarden en cheetahs) in hun bestaan worden bedreigd.
Uit het artikel blijkt dat het zoeken naar een oplossing een politieke kwestie is geworden. ‘Onze’ ranger was bang dat het weleens te laat zou kunnen zijn voor een oplossing als er niet op zo kort mogelijke termijn een beslissing zou vallen. Maar je maakt je als politicus natuurlijk niet erg populair met maatregelen om hele kuddes af te schieten, vooral niet omdat de olifant decennialang een beschermde soort is geweest. Tijdens onze begeleide tochten hebben we hierover ook met rangers in het Krugerpark gesproken en ze bevestigden allemaal dat er dringend iets moet gebeuren. Als je dan ziet hoe jonge olifantenbullen tekeer gaan in een bosje verdord hout, kun je je ook moeiteloos voorstellen dat de kleine grazers hun eten beter ergens anders kunnen zoeken. Het artikel geeft de reacties
van natuurbeschermers weer - meestal felle tegenstanders van afschieten – maar stelt (terecht) vast dat mensen een hek om het Krugerpark hebben gezet en daarmee dus verantwoordelijk zijn voor het reguleren van de wildstand om zo de voedselketen in stand te houden. Ook al betekent dat in de praktijk dat bepaalde dieren moeten worden afgeschoten. In opvangcentrum Moholoholo (daarover een volgende keer meer) werd behoorlijk gehamerd op het belang van de voedselketen, juist omdat elke diersoort daarin zijn eigen plek heeft. Mocht er een tekort aan prooidieren ontstaan, dan krijgen bijvoorbeeld ook hyena's en gieren te weinig voedsel en dreigen uit te sterven. Kortom, het overschot aan olifanten heeft onherroepelijk gevolgen, niet alleen voor de natuurgebieden, maar ook voor de wildstand.

(klik op de foto's voor een vergroting)

16 januari 2007

Nederlands te moeilijk?
De afgelopen dagen laait de discussie weer op: Nederlandse scholieren leren hun eigen taal niet goed. Zelfs een vwo-diploma vormt geen garantie voor foutloze stukken tekst in het Nederlands, dus klagen ook hogescholen en universiteiten steen en been en bieden extra taallessen aan of nemen een taaltoets af bij eerstejaars studenten. Interessant zijn de artikelen waarin wordt beschreven hoe we dit probleem zouden kunnen oplossen. Een hoger salaris voor leraren schijnt niet zaligmakend te zijn. De discussie over hoe we het onderwijs kunnen verbeteren blijft de gemoederen bezig houden. Op onderwijsgebied is er de afgelopen 30 jaar veel veranderd maar ik vraag me af of het onderwijs zelf daardoor werkelijk is verbeterd.
Een praktijkvoorbeeld. Zelf zat ik eind jaren zestig op de ‘lagere school’. In de hoogste klassen bestond het taalprogramma hoofdzakelijk uit het leren verbuigen van werkwoorden, het ontleden van zinnen en het benoemen van woorden. Ik herinner me ons taalboek, toepasselijk 'Dieseloefeningen' geheten en met een heuse trein op het kaft, nog heel goed. Met een beetje geluk hoefden we als huiswerk 20 zinnen van een lesje alleen te ontleden. Als we pech hadden, moesten we van elke zin bovendien de woordbenoeming doen. De volgende dag werd dat nagekeken op school. Klassikaal. (Zoals we ook de tafels van vermenigvuldiging klassikaal opdreunden, maar dat is een ander verhaal). Minstens tweemaal per week kregen we zulk huiswerk mee. Reken maar dat we hebben leren ontleden! Aan het eind van de lagere school wisten wij hoe een zin in het Nederlands in elkaar stak. Op mijn middelbare school werd er vervolgens voor elke taalfout in proefwerken, of dat nu voor Nederlands, Geschiedenis of Aardrijkskunde was en ongeacht of het om een spelling- of ‘dt’-fout ging, gewoon een heel punt afgetrokken. Ik prijs mij gelukkig met zo’n degelijke vooropleiding en profiteer er nog dagelijks van.
Zoveel jaar later zit mijn zoon in de eindexamenklas vmbo TL, sector techniek. Een van de examenonderdelen is het maken van een sectorwerkstuk. Tijden veranderen, want als onderwerp heeft hij multimediavormgeving gekozen, een richting die in mijn schooltijd niet bestond. Op de basisschool heeft hij in groep 7 en 8 met veel pijn en moeite geleerd hoe hij de persoonsvorm in een zin kan ontdekken. De verbuiging van de werkwoorden is weliswaar uitgelegd, maar op een tamelijk ingewikkelde manier, dus gebruikte hij liever mijn ouderwetse manier en met succes. Na 3 jaar Nederlands op de middelbare school heeft hij van zinsontleding nog steeds niet veel kaas gegeten. Bovendien sluipen er steeds vaker fouten in zijn werkwoorden. Ik schrik, telkens weer, als ik lees: ‘wat verteld hij nu?’ of ‘het gebeurd wel vaker’. Dus staat ons memobord in de keuken regelmatig vol met rijtjes – Nederlandse - werkwoordsvormen en ezelsbruggetjes. Op mijn vraag waarom hij tegenwoordig dit soort fouten maakt, antwoordt hij doodleuk: “Nou ja, de lerares Nederlands rekent het niet als fout, dus ik let er niet meer op”.

Toch wil hij graag dat ik zijn sectorwerkstuk nakijk voordat hij het inlevert. Hij heeft namelijk wel in de smiezen dat hij waarschijnlijk een hoger cijfer krijgt voor een werkstuk zonder 'd/t'-fouten. En een goed cijfer als (extra) compensatie is nooit weg, ook bij de huidige jeugd niet. In dat opzicht is er ten opzichte van 1978, toen ik eindexamen deed, niets veranderd(t?). Nee, soms weet je echt niet wat je leest ...

12 januari 2007

Lettervreter
Sinds de pc zijn intrede heeft gedaan in ondernemend Nederland ontvang ik vakkundig opgemaakte teksten en vaak ook in een bijzonder fraai lettertype. Leuk, hoor, al die afwisseling bij het lezen en soms zelfs een lust voor het oog, maar soms toch ook een aardige last bij het verwerken. Voor mijn vertalingen in Trados (een vertaalgeheugen dat ik via de computer beheer en gebruik) werk ik het liefst met teksten in de lettertypen Arial of Times Roman. Daarmee kan Trados namelijk prima uit de voeten. Ook Tahoma en Verdana, Garamond en Helvetica leveren weinig problemen op bij het gebruik van Trados, maar vandaag zit ik weer flink te stoeien bij elke zin: de tekst is aangeleverd in Taz SemiLight (mijn Word-versie heeft dat type niet standaard paraat). Los van het feit dat ik steeds als ik Taz zie staan in de menubalk boven mijn vertaling, aan deze Taz moet denken:

is zijn actie een uitstekende illustratie van mijn frustratie als de tekst bij het openen van een segment in Trados automatisch weer in Times Roman verspringt. Bijzonder vervelend, omdat de brontekst dan ‘verminkt’ is qua opmaak in lettertype en ik nog geen slimme truc heb gevonden om dat snel en handig ongedaan te maken. Gelukkig heeft de opdrachtgever me al laten weten dat ik niet teveel tijd moet besteden aan het rechtzetten … de vertaling gaat in een later stadium toch naar de drukker en die zorgt voor de eindopmaak. Dan komt het met die letters dus ook wel in orde. Ieder zo zijn vak. Ik besteed mijn tijd liever aan vertalen dan aan stoeien met zo’n lettervreter!

6 januari 2007


Briefkaart uit Vertalië
In het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad is sinds gisteren een nieuwe rubriek gestart: Briefkaart uit Vertalië. De eerste bijdrage van Robbert-Jan Henkes en Erik Bindervoet sprak me al direct aan: "Ariebombarix", opperhoofd van dat kleine dorpje in Gallië dat zo dapper weerstand bleef bieden aan de Romeinen. Gaat er al een belletje rinkelen? Juist, Asterix en Obelix, mijn favoriete strip. In gebonden uitvoering heb ik bijna alle albums van Goscinny en Uderzo en ik bezit zelfs nog een losse uitgave in het Latijn (met woordenlijst). Na de dood van Goscinny ben ik gestopt met verzamelen - de teksten van Goscinny in combinatie met de tekeningen van Uderzo hadden een niveau dat Uderzo in zijn eentje niet kon waarmaken, vond ik. Genoten heb ik van de oorspronkelijke versies in het Nederlands, nog lang voordat ik zelf met vertalingen ging stoeien. Wat mij betreft had er dus geen 'nieuwe' vertaling hoeven komen. Dat is blijkens de briefkaart een paar jaar geleden wel gebeurd. Soit, om in stijl te blijven. Toch ben ik het met de schrijvers uit Vertalië wel eens dat de namen van voorman Abraracourcix en bard Assurancetourix veel creatiever hadden kunnen worden vertaald. Hun eigen vondsten spreken voor zich. Surf snel naar de site van NRC (de link vind je onder "mijn favoriete links" in de rechterkolom) en geniet van hun verhaal. Het is de moeite van het lezen meer dan waard!

4 januari 2007

Verdwijning en verschijning op de digitale snelweg

Gisteren belde een klant met de vraag of ik de vertaling al had gestuurd. Groot was mijn verbazing: die had ik immers al ruim voor de feestdagen als bijlage per mail verzonden. Aangezien de ‘postmaster’ mij geen alarmerende meldingen had gestuurd, nam ik aan dat de klant de vertaling in goede orde had ontvangen. Niets bleek dus minder waar. Uiteraard heb ik de vertaling meteen opnieuw gestuurd en dit keer ging het goed. Toch blijf ik met de vervelende vraag zitten in welke mailbox het eerste mailtje dan wel is terecht gekomen. Daar kom je dus niet achter. Over het algemeen heb ik geen reden tot klagen en verloopt mijn mailverkeer over de elektronische snelweg zonder noemenswaardig oponthoud. Als ik dan al eens een tikfout maak in een mailadres, krijg ik meteen bericht van de postmaster.
Een heel ander verhaal is alle spam die ondanks spamfilter en firewall op mijn pc binnenkomt. Gek genoeg vaak ook nog niet eens op mijn eigen mailadres, maar gericht aan mij volledig onbekende personen dan wel mailadressen. Herkennen jullie dat? Alle mogelijke medicijnen, horloges, leningen, enzovoorts, maar bijvoorbeeld ook Russische vrouwen die op zoek zijn naar een man – een punthoofd krijg ik er soms van. Sinds een aantal maanden ontvang ik per dag gemiddeld viermaal zoveel spam als ‘werk’mail. De verzenders van deze troep worden bovendien steeds slimmer. Tegenwoordig versleutelen ze hun boodschap, soms door middel van een plaatje, waarmee ze de spamfilters op listige wijze weten te omzeilen. Er is dus werk aan de winkel voor ‘filtermannen’: verlos ons alsjeblieft van deze junkmail.